You are here

‘Frankenstein’, de romanklassieker van Mary Shelley, is tweehonderd jaar oud. Het boek - waarin dokter Frankenstein levenloos materiaal tot leven wekt en ongewild een monster creëert - wordt vaak gezien als de eerste vorm van science fiction. Zijn er parallellen te trekken met hoe de mens vandaag robots creëert? Zijn robots onze vrienden of vijanden?  De roman van Shelley is een razend interessante reflectie op hoe we in de toekomst kunnen samenleven met robots. Mark Grey en Júlia Canosa, respectievelijk dramaturg en tekstschrijver van de vernieuwde ‘Frankenstein’-opera en te gast op de boeklancering van ‘Homo Roboticus’, reflecteerden over hoe we met nieuwe technologieën moeten omgaan.

 

Tekst door Jens Meijen

 

De Vrije Universiteit Brussel voorzag met de boekvoorstelling van ‘Homo Roboticus’ in De Munt een avond die het brein langs alle kanten masseerde. Technologie, artificiële intelligentie en kunst ontmoetten elkaar op het podium. Mark Grey en Júlia Canosa, respectievelijk dramaturg en librettist (tekstschrijver) van de vernieuwde ‘Frankenstein’-opera die in maart in de Munt te zien is, waarschuwen voor de groeiende kloof tussen ons vermogen om uit te vinden en ons onvermogen om te begrijpen.

 

Dokter Viktor Frankenstein wil een mens namaken, maar hij vindt zijn creatie een monster. Hij laat zijn creatie aan zijn lot over, waarop het een eigen leven begint te leiden. Het monster is van zichzelf niet kwaadaardig; het gedraagt zich enkel als monster door het onrecht dat hem is aangedaan door de dokter en door de mensen die hem verjagen. Het geïsoleerde, eenzame wezen stelt zich vragen bij zijn bestaan – het heeft een bewustzijn, maar blijkbaar geen recht op een waardig leven.

 

Haat en liefde liggen dicht bij elkaar

De afschuw van de dokter voor zijn eigen creatie is geen toeval. Auteur Mary Shelley gaf zichzelf de schuld voor de dood van haar moeder enkele dagen na haar geboorte. De destructieve relatie tussen de dokter en het monster, of tussen de schepper en zijn schepping, is dus ook terug te vinden in haar eigen leven.

 

Het interessante, aldus Mark Grey, is dat Mary Shelley twee eeuwen geleden al wist hoe moeilijk het is om een “artificieel” wezen te laten integreren in de maatschappij. Het is voor een mens al moeilijk om zich thuis te voelen in een vreemd land. Voor een mismaakt en artificieel wezen is het extra moeilijk. ‘Frankenstein’ leert ons dat een schepsel met een bewustzijn ook een doel nodig heeft. Het leert ons ook dat het een plek in de maatschappij moetkrijgen om volledig tot zijn recht te komen.

 

Het monster van Frankenstein is de outsider die naar binnen kijkt – letterlijk zelfs, want hij leert hoe mensen zich gedragen door vanuit het bos naar het leven van een mensengezin in een huis te kijken. Dat is vergelijkbaar met verhalen over wolvenkinderen, of jonge mensen die in het bos verdwalen en uiteindelijk opgevoed worden door wilde dieren. Wanneer ze worden teruggevonden en zich willen integreren in de maatschappij, blijkt dat ontzettend moeilijk. Zo is het ook met Frankensteins monster. Het kreeg zelfs nooit een naam, vertelt Julia Canosa , wat genoeg zegt over dokter Frankensteins visie; hij wilde leven creëren, maar had geen doel voor ogen, geen plek voorzien voor zijn schepping, waardoor het wezen nergens kon bijhoren.

 

Lees verder onder de video.

 

Dit was Homo Roboticus 2019

Op 7 februari 2019 lanceerden meer dan 50 wetenschappers van de Vrije Universiteit Brussel het boek 'Homo Roboticus'.

AI en robots: wat moeten we ermee?

 

De gelijkenis tussen Frankensteins ‘monster’ en de robot gaat verder dan enkel het artificiële van hun ontstaan. Het zijn allebei wezens waarvan we niet precies weten wat we ermee moeten doen, waar we ze moeten plaatsen. Wat is hun positie in de maatschappij? Hebben zij recht op een eigen identiteit, een “ik”? Wat maakt een mens tot mens, een robot tot robot, en een monster tot monster?

 

Mensen leven altijd binnen een netwerk van menselijke relaties waarin ze ook als mens geaccepteerd worden. Ze hebben een naam, een beroep, hobby’s, een karakter – kortom: een identiteit. Toch is de menselijke identiteit een glibberig ding, net omdat ze mee bepaald wordt door voortdurend veranderende relaties met andere mensen. Als we onze visie op menselijke verhoudingen kunnen veranderen om ook mensachtige robots in ons midden te accepteren, kunnen we hun recht op een identiteit erkennen. Daarmee behoeden we hen voor vormen van misbruik en mishandeling, want als robots “bij ons” horen, zijn ze niet meer zomaar stukken plastic of ijzer.

 

Het moge duidelijk zijn: of je nu kijkt naar het blinkend koetswerk van een robot of de vaalgroene schimmelhuid van Frankenstein, er rijzen heel wat meer vragen dan je op het eerste gezicht zou denken. Dat zijn vragen waar kunstenaars, wetenschappers, en filosofen zich gezamenlijk over kunnen buigen – en maar goed ook , want de robotrevolutie komt eraan.

 

Over Jens Meijen
Jens Meijen is 23 jaar. Drie jaar geleden werd hij de eerste Jonge Dichter des Vaderlands. Ondertussen schrijft hij voor Humo, De Morgen en De Bezige Bij en is redacteur van het literaire tijdschrift Dietsche Warande en Belfort. Hij ging voor ons naar Homo Roboticus in De Munt en pende zijn bedenkingen neer.