U bent hier

“Geen dingen heb ik ooit begrepen”. Wat dezer dagen een wanhoopskreet van eender welke student zou kunnen zijn, klaar om vol twijfel de aula te betreden en zijn of haar kennis ten tonele te brengen, is ook de eerste regel van het gedicht ‘Avond en Morgen I’. Een gedicht van de “Brusselse” dichter Jos De Haes, dat speciaal voor Gedichtendag van onder het stof werd gehaald door professor Vandevoorde, specialist in de Nederlandse Letteren van de Middeleeuwen tot vandaag. 

 

Wie het gedicht ook wil lezen, kan hier terecht.

 

Waarom kwam je met dit gedicht op de proppen toen we je vroegen om naar aanleiding van de Nederlandse en Vlaamse Gedichtendag je favoriete gedicht te selecteren? 

“De Haes is een beetje een vergeten dichter in Vlaanderen. Daarenboven is hij een dichter die een bijzondere band heeft met Brussel. Hij heeft hij een van de mooiste gedichten geschreven die in Brussel gesitueerd zijn, ’Een kus in Ter Kameren’.  

Maar ook dit gedicht ‘Avond en Morgen I’ is een meesterwerk, want het bevat alle kwaliteiten van wat voor mij sublieme poëzie is. Het is een combinatie van zintuiglijkheid en spiritualiteit, van helderheid en geheimzinnigheid. Het gaat over een emotionele confrontatie met het leven. En dat laatste is wat ik meestal zoek in poëzie.  

Poëzie kan iets zijn waar je dagelijks kracht uit put en mag niet beperkt blijven tot datgene wat je één keer op een jaar of in je leven gebruikt om troost in te zoeken (als tekst bij een doodsprentje bijvoorbeeld).” 

 

In het gedicht zou ook een boodschap voor de studenten zitten? 

“Als je het gedicht leest kan je het eigenlijk vrij banaal gaan vertalen naar studenten die momenteel in hun examenperiode zitten. Zo gaat het in de eerste strofe over de dingen die je niet begrijpt. Dat kan gaan van de haat tussen mensen tot religie… maar dat kan natuurlijk ook je leerstof zijn. De tweede strofe laat zien hoe je desondanks toch behaaglijkheid in het leven vindt, ‘s avonds zoals hier in de directe omgeving, de natuur en vrienden. Strofes 3 en 4 confronteren die rust met de verbijstering die je dan weer telkens ‘s ochtends overvalt, wanneer iedereen de zaken lijkt te begrijpen - en jij niet. Jij staat als een fragiele buitenstaander tussen tal van ’verlichte pinksterpolyglotten’, tussen mensen dus die over alles kunnen meepraten. Die afgrondelijke ervaring van onzekerheid en twijfel, dat vind je terug in dit gedicht.”  

 

Wat is voor u het geheim van een goed gedicht? 

“Een goed gedicht moet je in de diepte gooien en je de confrontatie met het bestaan doen aangaan. Een goed gedicht moet de verwondering openhouden. Het rukt je als het ware weg van de actualiteit en drukt je keihard met je neus op waar het werkelijk over gaat. En het moet iets zijn waar je dagelijks schoonheid uit put. 

Het zicht op Brussel vanuit mijn kantoor is bijvoorbeeld ook poëzie voor mij. Als ik hier vijf hoog uit het raam kijk, dan zie ik poëzie. Maar als ik dan druk aan de slag ben, vergeet ik wel eens naar buiten te kijken. Vergeet ik verwonderd te worden door de schoonheid van de stad. Poëzie herinnert er mij aan dat ik naar buiten moet kijken. Dat ik mijn blik moet openhouden.” 

 

Waarom is een dag als Gedichtendag een goed idee om poëzie onder de aandacht te houden? 

“Het is positief dat er dankzij Gedichtendag wat extra aandacht naar poëzie gaat. Want zij kan om tal van redenen van groot belang zijn. In gedichten vinden mensen troost, maar ook kracht. Ze bieden je immers de schoonheid van taal. Je krijgt er bovendien op een heel ‘condense manier dingen mee gezegd. Zo leer je via poëzie de mogelijkheden van suggestie kennen, zodat je er goed mee tussen de regels leert lezen.  

Om het provocatief te zeggen: je leert met poëzie als het ware beter de krant lezen omdat je er echt mee leert lezen. Ik denk bijgevolg dat mijn studenten via gedichten kritischer met woorden en zinnen leren omgaan.” 

 

Wie is voor u de grootste dichter van het moment? 

“Er eentje uitpikken durf ik niet echt, maar ik kijk toch vooral vol bewondering naar de grote golf jonge golf vrouwelijke dichters van dit moment, zoals Els Moors of alumna Ruth Lasters.” 

 

Stel dat we na dit interview mensen hebben aangezet om met poëzie te starten, welke bundels of schrijvers raadt u hen dan aan om mee te beginnen? 

“Bloemlezingen zijn natuurlijk een heel goeie manier om dat te doen. Probeer eens die van Ilja Leonard Pfeijffer of Gerrit Komrij. Dat is al een flinke start.”  

 

 

Professor Hans Vandevoorde is lid van de opleiding Taal en Letterkunde van de Vrije Universiteit Brussel, waar hij Nederlandse Letterkunde doceert. Meer info over de opleiding vind je hier