U bent hier

"We denken erg in hokjes en schrijven verschillen al snel toe aan de meest zichtbare kenmerken zoals het hebben van exotische roots."

Minister Hilde Crevits bekritiseert terecht de enorme kloof tussen hoge en lage presteerders in Vlaanderen. In internationaal vergelijkende PISA-toetsen scoren kinderen van de tweede generatie met buitenlandse origine in Vlaanderen slechter dan in andere landen. Minister Crevits wijst jammer genoeg de ouders van buitenlandse origine met de vinger. Deze ouders zouden onvoldoende verantwoordelijkheid nemen en te weinig betrokken zijn bij de schoolloopbaan van hun kinderen. Grootschalig onderzoek in Vlaanderen spreekt dit beeld echter tegen.

 

Een opiniestuk door pedagogen Els Consuegra en Nadine Engels, politicoloog Dimokritos Kavadias en socioloog Kenneth Hemmerechts. Het stuk verscheen eerder in De Morgen.

 

Uit de gegevens van drie grootschalige onderzoeksprojecten in Vlaanderen die samen meer dan 10.000 jongeren en ouders bevraagd hebben naar ouderbetrokkenheid (Procrustes, Validiv en Sinba), blijkt dat allochtone jongeren even betrokken ouders hebben als hun autochtone leeftijdsgenoten. Deelname aan oudercontacten, bewaken dat kinderen studeren en hun huiswerk maken en interesse tonen in wat er op school gebeurt: we zien geen verschillen tussen jongeren met ouders of grootouders die geboren zijn in West-Europa of daarbuiten. Ook in internationaal vergelijkend onderzoek naar geletterdheid in het lager onderwijs (PIRLS) zien we qua ouderbetrokkenheid geen verschil tussen de jongeren met of zonder migratieachtergrond in het vierde leerjaar. 

"De oproep aan ouders om meer actief te zijn op de school is goed bedoeld, maar de ouders waar het echt om gaat zijn er weinig mee geholpen"

Voor velen in de praktijk is deze bevinding een verrassing. Dat komt omdat we erg in hokjes denken en verschillen al te snel toeschrijven aan de meest zichtbare kenmerken zoals het hebben van exotische roots. Als je groepen ouders vergelijkt zie je in sommige gevallen inderdaad een verschil qua deelname aan activiteiten op de school, maar dat verschil is in werkelijkheid toe te schrijven aan de kansarmoede en lagere sociaaleconomische status waar een groot deel van de nieuwe Vlamingen mee geconfronteerd worden. Dat is niet noodzakelijk een kwestie van lage betrokkenheid bij het leven van hun kinderen. We moeten niet de suggestie wekken dat deze ouders hun kinderen minder graag zien en niet willen betrokken zijn bij de opvoeding van hun kroost. Wel hebben deze groepen ouders vaak niet de juiste vaardigheden of onvoldoende zelfvertrouwen om in de schoolwerking te participeren. Datzelfde zien we trouwens evengoed bij oude en nieuwe laagopgeleide of kansarme Vlamingen. De oproep aan ouders om meer actief te zijn op de school is goed bedoeld, maar de ouders waar het echt om gaat zijn er weinig mee geholpen. Integendeel, zij en hun kinderen worden andermaal met de vinger gewezen. 

 

Modernisering

We zien graag van de minister een focus op de kern van de zaak: de bestaande segregatie in het secundair onderwijs, het gebrek aan diversiteit bij het lerarenkorps, het gebrek aan investeringen in leerkrachten, de competenties van scholen om met diversiteit en kansarmoede om te gaan, en bovenal een serieus doordachte modernisering van het secundair onderwijs die verder gaat dan enkele cosmetische ingrepen.

 

Minister Crevits verwijst in De Standaard naar een anekdote als illustratie van het gebrek aan ouderbetrokkenheid bij allochtonen. Als tegenvoorbeeld gooien de auteurs graag zichzelf in de strijd. Een aantal van hen zijn nieuwe Vlamingen en niet in het Nederlands opgegroeid. Aan alle jongeren en hun ouders die tegen de verwachtingen van sommigen in vooruit willen gaan in ons onderwijs: yes you can. Maar ook aan alle politici van goede wil: pak alstublieft de echte problemen aan. Laat ons niet met de vinger wijzen, maar de hand reiken.