U bent hier

Na tien jaar is het hoofddoekendebat terug van weggeweest. Het arrest van het Europees Hof laat werkgevers toe in naam van de neutraliteit vrouwen met hoofddoek te ontslaan of niet aan te werven. Een mokerslag, niet alleen voor moslima’s, maar voor iedereen die belang hecht aan sociale rechtvaardigheid in deze samenleving.

 

Dit opiniestuk werd geschreven door Iman Lechkar, VUB professor Gender & Islam en houder van de VUB Fatima Mernissi Leerstoel. Het verscheen eerder in MO*.

 

In België is het niet de eerste keer dat de hoofddoek in opspraak komt. We kunnen het arrest dan ook niet loskoppelen van uitspraken en maatregelen uit het verleden die de hoofddoek problematiseerden of verboden. Zo wierp toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael zich al in 2004 op als hoeder van de moslimvrouw: om de moslimvrouw te bevrijden, moesten hoofddoeken in publieke ruimtes verboden worden, pleitte Dewael.

 

SP.A-burgemeester Patrick Janssens ging in 2007 een stap verder en gebruikte het neutraliteitsbeginsel om levensbeschouwelijke, religieuze en politieke symbolen in het algemeen, en de hoofddoek in het bijzonder, te verbieden bij het Antwerpse stadspersoneel. In reactie daartegen werd kort daarop het feministisch, pluralistisch en multicultureel actieplatform BOEH! (Baas Over Eigen Hoofd!) opgericht. Het platform stelt het beslissingsrecht van vrouwen om al dan niet een hoofddoek te dragen centraal.

 

BOEH! hamert erop dat moslimvrouwen niet bevrijd hoeven te worden, laat staan door mannelijke politici wiens uitspraken en maatregelen net bewijzen dat zij niet echt geïnteresseerd zijn in de emancipatie van moslims. Zeker moslimvrouwen krijgen door politici wettelijke restricties opgelegd die hun religieuze vrijheid inperken. Als mannelijke machthebbers oprecht begaan zouden zijn met moslimvrouwen zouden ze maatregelen kunnen nemen die de aanwezigheid en zichtbaarheid van deze vrouwen in alle domeinen van de samenleving stimuleren.

 

Het voorbije decennium moesten Belgische moslimvrouwen op twee fronten strijd voeren: niet alleen moesten ze binnen hun eigen families voor hun rechten opkomen, ze zagen zich ook gedwongen een veel moeilijkere strijd aan te binden om gelijkwaardig behandeld te worden door de samenleving en de wetgeving. Zo startte BOEH! in 2009 naar aanleiding van het hoofddoekenverbod in de scholen van het Gemeenschapsonderwijs (GO!) een juridische procedure bij de Raad van State.

 

Hoewel de Raad van State het verbod op het dragen van uiterlijke levensbeschouwelijke tekens op school in 2014 vernietigde omdat het een inperking van de godsdienstvrijheid zou zijn, veranderden de scholen hun beleid niet.

 

In april 2013 verzamelden moslima’s Lamyaa Omar en Siham Benammar met hun burgerinitiatief meer dan tienduizend handtekeningen om het verbod op religieuze symbolen achter het loket opnieuw te laten bespreken in de Gentse gemeenteraad. Sp.a, Groen en enkele CD&V-gemeenteraadsleden stemden daaropvolgend het hoofddoekenverbod achter de Gentse loketten weg. De ontwikkelingen omtrent de hoofddoek tonen aan dat moslimvrouwen niet gered moeten worden door witte mannen, maar dat we onze samenleving moeten bevrijden van enkele gevaarlijke kwalen.

Een dubbele standaard hanteren omtrent essentiële beginselen als vrijheid, broederlijkheid en gelijkheid, is contraproductief

Bevrijding van een exclusieve benadering van belangrijke beginselen.
De Amerikaanse filosoof John Rawls voert in zijn baanbrekend werk Een theorie van rechtvaardigheid een pleidooi om terug te gaan naar de essentie van belangrijke beginselen zoals vrijheid: om tot een rechtvaardige samenleving te komen, beargumenteert Rawls, is het belangrijk te waken over een maximale vrijheid die vrijheid voor iedereen garandeert. De staat mag dus geen bepaalde opvatting over het goede leven superieur achten, laat staan dat ze vanuit zo’n opvatting maatregelen neemt die een specifieke invulling van het goede leven afdwingt bij haar burgers.

 

n een diverse maatschappij is het belangrijk een zo inclusief mogelijk begrip van neutraliteit te hanteren om geen inbreuk te maken op de mensenrechten. Het mensenrechtenverdrag schrijft namelijk voor dat iedereen gelijke rechten van geweten moet hebben. Het neutraliteitsbeginsel is er ook net gekomen om minderheden te beschermen door ervoor te zorgen dat geen enkel ‘juist’ idee over het goede leven zou domineren. De een geeft een religieuze invulling aan het goede leven, de ander niet, beide opties zouden evenwaardig moeten zijn.

 

Neutraliteit dreigt nu gereduceerd te worden tot het verbannen van religieuze symbolen. De achterliggende idee is dat het goede leven areligieus is en dat een onbedekt hoofd of lichaam de maatstaf is waaraan we de vrijheid van de vrouw kunnen afmeten. Enkel door belangrijke principes als vrijheid en neutraliteit maximaal te interpreteren, rekening houdend met de wensen en noden van zoveel mogelijk burgers, kan de overheid mensen en groepen samenbrengen en verzoenen in plaats van hen te verdelen. Enkel zo kunnen we een rechtvaardige samenleving realiseren.

 

Hoewel men vaak met de stelling gooit dat moslims niet verlicht zijn omdat ze gelovig zijn, moeten we leren aanvaarden dat ook moslims deel uitmaken van de verlichte moderniteit. De seculariteitsthese, de overtuiging dat wetenschappelijke, rationele en technologische groei, gepaard zullen gaan met het uitsterven van religie, bewijst nu meer dan ooit fout te zijn. In zijn magnum opus, A secular Age, toont de Canadese filosoof Charles Taylor aan dat ook religieuze moderniteit een realiteit is. Religiositeit is niet enkel het geloof in het goddelijke, maar vormt ook een kader voor belangrijke zingevingsvragen die iedereen zich stelt: Wat is een vervuld leven? Wat is menselijke groei? Wat maakt het leven het leven waard?

 

Een dubbele standaard hanteren omtrent essentiële beginselen als vrijheid, broederlijkheid en gelijkheid, is contraproductief. Het zijn namelijk niet enkel westerse, maar ook islamitische basiswaarden, die hand in hand gaan met in het geloof in God. Het is noodzakelijk deze waarden inclusief te definiëren opdat iedereen zal begrijpen dat vrijheid niet enkel geldt voor een atheïst, maar evenzeer voor een gelovige of een holebi en dat ongeacht de verschillen iedereen gelijkwaardig en gelijk is. Enkel zo kan elke burger zich thuis voelen in deze maatschappij.

 

(Bevrijding van) de minachting tegenover de islam en de hoofddoek
In haar boek Do Muslim women need Saving? beschrijft de Amerikaanse antropologe Lila Abu Lughod hoe westerse machthebbers vaak de retoriek van de bevrijding van de moslimvrouw misbruikt hebben. Terwijl die retoriek er in het binnenland toe diende de religieuze vrijheden in te perken, diende ze in het buitenland om via gewelddadige, militaire interventies de eigen economische en strategische belangen na te streven.

 

Meer nog: grondige analyses van de koloniale missies in Noord-Afrika en het Midden-Oosten en van de neokoloniale invasies in Afghanistan en Irak tonen aan dat westerse machthebbers helemaal niet begaan zijn met de moslimvrouw. Abu Loghod toont aan dat de situatie van vrouwen in Afghanistan en Irak tien jaar na de invasies veel slechter is dan voorheen.

Iedereen heeft het recht dat deugdzaam leven op zijn eigen manier in te vullen: religieus of niet religieus, met of zonder hoofddoek

De beladen internationale context waarbij Arabieren en moslims als bedreiging voor het Westen worden gezien, brengt minachting voor praktiserende moslimvrouwen voort, zo demonstreert Abu Loghod. Enkel moslima’s die zich ontdoen van het juk van de islamitische gemeenschap en de zogenaamd gewelddadige moslimman, beschouwt men als vrije wezens.

 

Zelf sprak ik met honderden vrije, kritische en intelligente moslimvrouwen die een professionele en maatschappelijke rol willen opnemen, maar systematisch buitengesloten worden omwille van hun zichtbaar religieuze identiteit.

 

Tal van leerkrachten bijvoorbeeld vinden het een gemiste kans dat ze niet met de hoofddoek kunnen lesgeven. Zo zouden ze het beeld van de niet bevrijde, onderdrukte moslima kunnen wegwerken en zouden moslims in deze diverse samenleving als een neutrale en normale realiteit kunnen worden aanzien.

 

Voor sommige moslima’s vormt de hoofddoek een essentieel onderdeel van een deugdzaam leven. Iedereen heeft het recht dat deugdzaam leven op zijn eigen manier in te vullen: religieus of niet religieus, met of zonder hoofddoek. Dat een moslima dit op religieuze wijze invult met een hoofddoek, betekent niet dat zij niet evenzeer opgeleid, kritisch en competent kan zijn.

 

Net zoals er moslimvrouwen zijn voor wie de hoofddoek geen voorwaarde is voor een deugdzaam leven, zijn er ook moslimmannen die er zo over denken en dus helemaal niet op zoek gaan naar een vrouw die de hoofddoek draagt. Het is dus fout en kwetsend om, zoals Darya Safai (De Morgen 17/03/2017), te stellen dat de hoofddoek een symbool van mannelijke onderdrukking is dat tweederangsburgers, genderdiscriminatie en genderapartheid voortbrengt.

 

Indien dit het geval zou zijn, waarom kwamen hoofddoekdragende moslimvrouwen dan massaal op straat tegen het hoofddoekenverbod? Waarom waren zij massaal teleurgesteld in het arrest van het Europees Hof? Waarom pleitten zij dan bij werkgevers om hen niet naar een achterkamertje te verbannen omwille van hun hoofddoek, maar om hen een kans op de arbeidsmarkt te geven op basis van hun competenties? (Maryam H’madoun en Saïla Ouald Chaib, De Morgen 15/03/2017)

 

(Bevrijding van) angst en achterdocht
In haar boek de nieuwe religieuze intolerantie stelt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum dat niet de hoofddoek, maar wel angst en achterdocht jegens religie, en jegens islam in het bijzonder, ervoor zorgt dat moslimvrouwen tweederangsburgers worden.

 

Volgens Nussbaum loopt Europa te koop met haar verlichte religieuze verdraagzaamheid, maar is de realiteit dat de Europese geschiedenis van religieus geweld zich onveranderd voorzet. Die geschiedenis situeert zich niet enkel in een duister verleden van kruistochten, godsdienstoorlogen en koloniale religieuze overheersing. Ook het antisemitisme dat leidde tot het nazisme en de recentere wetten die islamitische bevolkingsgroepen treffen, moeten in dat licht gezien worden. Nussbaum toont aan hoe de wetten rond boerka’s behandeld werden alsof het de meest acute crisis in de samenleving betrof.

Volgens Nussbaum loopt Europa te koop met haar verlichte religieuze verdraagzaamheid, maar is de realiteit dat de Europese geschiedenis van religieus geweld zich onveranderd voorzet

Ze illustreert ook dat het hoofddoekenverbod bij ambtenaren en in scholen niet enkel in België en Frankrijk van toepassing is, maar een algemene tendens is die kenmerkend is voor de angst waarmee West-Europa worstelt.

 

Hoewel de Scandinavische landen geen algemeen verbod hebben op religieuze symbolen, viert ook daar islamofobie hoogtij: In Noorwegen leidde de angst voor de islam tot twee aanslagen. In Finland leidde islamofobie tot hoge cijfers van arbeidsmarktdiscriminatie van moslimvrouwen en het opschorten van religieus tolerante maatregelen zoals het serveren van halalvoeding en aparte zwemuren voor vrouwen in publieke zwembaden.

 

Ook in België is de religieuze intolerantie aan een opmars bezig. Na hevige debatten over de hoofddoek en de discriminatie van moslimvrouwen, werd vorige week een Whatsappgroep van de Antwerpse politie en het veiligheidskorps van de FOD Justitie opgedoekt omwille van de racistische chatgesprekken. Het spreekt voor zich dat er in dit klimaat evenmin ruimte is voor maatregelen die rekening houden met het pluriforme karakter van onze samenleving.

 

Het voorstel van het katholiek onderwijs om het nieuwe schooljaar na het weekend op 4 september te laten starten omdat de eerste schooldag anders zou samenvallen met het Offerfeest, stuitte op veel onbegrip en verontwaardiging. De Moslimexecutieve, het vertegenwoordigingsorgaan van de Belgische moslims, reageerde onmiddellijk dat de moslimgemeenschappen zelf geen vragende partij zijn voor zulke positieve maatregelen. Een jaar na de terreuraanslagen in Brussel, zouden moslims toch zeker niet het lef kunnen hebben maatregelen te vragen die rekening houden met hun religiositeit?

 

Nochtans verloor ook de Brusselse moslim Mohamed El Bachiri op die tragische 22 maart zijn vrouw. Het is daarom fout om moslims als medeplichtigen te zien. Ook zij zijn het slachtoffer van terreur. In zijn boek Een jihad van de liefde roept El Bachiri de samenleving op om haat in te ruilen voor liefde voor elkaar. Hoewel zijn oproep ook bij politici warm onthaald wordt, zouden ze beter de hand in eigen boezem steken en hun polariserende taal inruilen voor woorden en maatregelen die die liefde kunnen creëren. Het schooljaar op 4 september laten starten om rekening te houden met het Offerfeest, had een belangrijk symbolisch gebaar van liefde kunnen zijn. Jammer genoeg is de samenleving veel te gepolariseerd om het potentieel voor verbinding te zien in zo’n beslissing.

 

Nochtans treft de verrechtsing van de samenleving niet enkel minderheidsgroepen, ze zorgt ook voor het afbrokkelen van de democratische rechtsstaat. In februari 2017 bijvoorbeeld werd de nieuwe vreemdelingenwet, ingediend door staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken, goedgekeurd. De wet maakt het mogelijk dat de Dienst Vreemdelingenzaken vreemdelingen die hier geboren en opgegroeid zijn te deporteren als er een vermoeden bestaat dat zij een gevaar voor de nationale veiligheid vormen. Dat een overheidsdienst de bevoegdheid krijgt hier op basis van een vermoeden en zonder inmenging van het rechtsapparaat over te beslissen, impliceert het opheffen van de scheiding der machten en vormt dus ook een inbreuk op de democratische rechtstaat.

 

Angst is een tweesnijdend zwaard
Martha Nussbaum geeft aan dat angst een tweesnijdend zwaard is: angst is enerzijds nodig om reële bedreigingen te zien, maar kan tegelijk leiden tot onbetrouwbaar en onberekenbaar gedrag. Nussbaum stelt dat angst anders is dan woede. Terwijl er bij woede een causaal verband is, waarbij men zich de vraag stelt wie zich schuldig maakt aan het veroorzaken van ongewenst gedrag, is angst een heel primitieve emotie. Angst is een overlevingsmechanisme en kan getriggerd worden door alles wat het overleven of het welzijn zou kunnen bedreigen. Angst is, in tegenstelling tot woede of een complexere emotie als medeleven, bij heel veel mensen terug te vinden.

 

Doordat de emotie zo alomtegenwoordig is, doen politici maar al te graag beroep op angsten om de bevolking op te hitsen tegen onpopulaire groepen. De geschiedenis bulkt van voorbeelden van onrechtvaardig gedrag tegenover leden van minderheidsreligies, gevoed door angsten van de meerderheid over nationale veiligheid, niet overheerst willen worden, economische zekerheid en politieke stabiliteit. Achteraf bleek telkens weer dat er geen verband was tussen deze waarden en het gevaar die de religieuze minderheid daarvoor zou vormen. Geweld op minderheidsreligies was daarentegen veeleer gestoeld op onwetendheid en door politieke retoriek gedreven angstbeelden volgens Nussbaum.

 

Die angstbeelden of fantasieën namen gemakkelijk zulke proporties aan dat brede kringen effectief geloofden dat de samenleving door de minderheidsgroep ernstig bedreigd werd. In het beste geval leidde dit tot discriminatie, in het slechtste geval tot deportatie en vaak ook tot de dood. Om te vermijden dat dit opnieuw gebeurt, stelt Nussbaum een benadering voor om een uitweg te vinden uit de politiek van angst voor andere culturen en levensbeschouwingen. Daarvoor dienen we als samenleving drie beginselen voorop te stellen:

 

1) Gelijkwaardigheid: alle mensen beschikken over hun eigen rijke menselijke waardigheid (het vermogen om te redeneren) en zijn bijgevolg gelijk, ongeacht verschillen wat betreft klasse, etniciteit, gender, seksualiteit en religie.

 

2) Een niet-narcistische argumentatie: een argumentatie die niet gericht is op onze eigen belangen en die niet een minderheidsgroep een of andere fout verwijt die ook in de meerderheidscultuur alomtegenwoordig is. Denk maar aan de hoofddoek die als een onvrije keuze door druk uit de gemeenschap wordt bestempeld, terwijl men zich ook de vraag kan stellen of bijvoorbeeld de keuze om hakken te dragen niet wordt ingegeven door de druk om te beantwoorden aan een maatschappelijk opgelegd schoonheidsideaal. Degene die op een narcistische manier argumenteert, plaatst zichzelf boven anderen en slaagt er niet in hen als gelijken te behandelen.

 

3) Een nieuwsgierige en medelevende fantasie: een bereidheid om buiten het zelf te treden en een andere wereld binnen te gaan, een ontvankelijke, onbevooroordeelde houding die zegt: “Hier is een ander mens en ik vraag me af wat hij of zij op dit moment ziet en voelt.”

 

Laten we op basis van deze drie belangrijke principes de strijd aangaan om onze samenleving te bevrijden van de polariserende dynamieken die nu heersen!